Jeugdcriminaliteit

Afstudeeropdracht

Academie voor sociale studies.

 

Jeugdculturen.

In het artikel,’Het beeld van de jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem’, schrijft Martina Althoff het volgende over jeugdculturen.

 

Onderzoeken naar jeugd en jeugdculturen laten zien dat adolescenten altijd een discussie over moraal en afwijking was (Simon, 1996; Hafeneger, 1994; Janssen, 1994; Bouw e.a., 1988; De Haas, 1971). Sinds de ne­gentiende eeuw stuiten de meeste westerse landen doorlopend op bezorgdheid over de opgroeiende generatie en hun afwijkend en crimineel gedrag (Spierenburg, 2000). Problematisering en dramatisering van de jeugd als delinquent en/of gewelddadig is in de historische jeugdanalyse niet nieuw.

 

Een analyse van de door de overheid gepubliceerde rapporten over de jeugd laat dit voor Nederland door middel van verschillende voorbeelden zien (Bouw e.a., 1988). De Tweede Kamer stelt al in 1914 een “algemene klacht over de baldadigheid der jeugd” aan de orde. Een als gevolg daarvan geïnitieerde staatscommissie spreekt in haar verslag van een “angstwekkende stijging van de criminaliteit en tuchteloosheid” van de jeugd van dertien tot achttien jaar (geciteerd door Bouw e.a., 1988,).

 

In de jaren twintig en dertig krijgt de bezorgdheid over de jeugd minder aandacht. De grote bloei van de jeugdbeweging die vol idealisme aan een betere toekomst wil bijdragen, wordt als positief gezien. Degenen die er niet bij horen, zijn de arbeidersjongeren, die moeite hebben met de idealen van de jeugdbeweging. De stijgende werkloosheid gaat samen met de bezorgdheid over de jongeren, hun stijgende criminaliteit en toenemende zedenverlies. Zij worden als ‘verwaarloosde jeugd’ of als ‘straatjeugd’ beschouwd. Hoewel er ook factoren van positieve benadering van de jeugd en vooral de jeugdbeweging zijn, en hoewel na 1945 ook vertrouwen aan de jeugd wordt geschonken - de jeugd heeft de toekomst – (De Haas, 1971, 12), zijn deze fasen van korte duur.

 

Sinds het einde van de jaren veertig tot de jaren vijftig is ”de aarzelende en tweeslachtige houding van de ouderen en van de autoriteiten, bijna een structureel kenmerk van hun gedrag naar de jongeren”. Deze bezorgdheid bestond vooral in kringen van politici, wetenschappers en vertegenwoordigers van de kerk (Bouw e.a., 1988, 9) en minder mate in de brede maatschappij. Massajeugd wordt het begrip voor maatschappelijk ‘verwilderde jeugd’ waarbij vooral de ongeschoolde arbeidersjeugd werd bedoeld: “Deze hele groep jeugdigen wordt gezien als een groep die vrij gemakkelijk zal komen tot crimineel gedrag. De jongens en meisjes leven op vitaal en op instinctief niveau. Het is voor de meesten onder hen niet mogelijk op een geestelijk niveau te leven. De geestelijke wereld is een volkomen onbekende wereld voor hen.” (geciteerd door Bouw e.a., 1988, ).

 

Halverwege de jaren vijftig komen de ‘nozems’ in het nieuws. Aan de ene kant veroorzaakt hun gedrag bij jazzconcerten, hun extravagante kleding, het “brul­len als wilde dieren” en het hysterisch naar het podium stormen opschudding (geciteerd door Bouw e.a., 1988, 10). Aan de andere kant leidt de manier waarop zij hun vrije tijd besteden tot verontwaardiging: “Zij hingen bij de bioscopen rond, zij knetterden met hun bromfietsen door de straten, zij riepen soms voor­bijgangers na, zij droegen opzichtige leren jacken, hun haren – goed in de brillantine – waren anders gekamd en de voorbijgangers waren eigenlijk een beetje bang voor hen” (Vrij Nederland 1955, geciteerd door De Haas, 1971).

 

Een problematisering en ‘demonisering’ van de rockers en provo’s volgt vanaf eind jaren vijftig tot de jaren zestig; de randgroepjongeren in de jaren zeventig; de krakers, de milieu- en vredesbeweging volgen; en tot het eind van de jaren tachtig de autonomen en voetbalvandalen, enzovoort. Niet alleen de groepen, ook de beelden variëren, maar de morele verontrusting over de manier hoe deze groepen zich gedragen en hun vrije tijd besteden blijft een kader waarbinnen al deze groepen worden benaderd.

 

“De eerste reactie van de samenleving op een nieuwe trend in de jeugdcultuur is er vaak een van morele verontwaardiging. Plotseling vertoont de jongere generatie gedragingen, opvattingen, houdingen en kledingsstukken die volgens de geldende normen onbehoorlijk zijn. Het gaat dan niet in de eerste plaats om de bedoelingen die jongeren hebben, maar om de vorm waarin zij zich pre­senteren. De nozem shockeerde met zijn vetkuif zoals de hippie met zijn lange haren, de punk met zijn hanenkam, de skinhead met zijn kale kop en de rasta met zijn dreadlocks. Al deze uitingen hebben gemeen dat ze de orde der dingen verstoren” (Janssen, 1994, 58).

De voorbeelden laten zien dat het hier minder om de specifieke haardracht, het specifieke gedrag of een hiermee verbonden bijzondere boodschap gaat, maar meer om de afwijking als zodanig en het niet accepteren van de domi­nante culturele normen van de samenleving.

 

 

Wat kunnen we nu voor conclusies trekken uit de historische onderzoeken van jeugdculturen in verband met het verklaren van het bestaan van de maatschap­pelijke beelden over jongeren? Als we de resultaten van historische onderzoe­ken over jeugdculturen bekijken, zien we in de maatschappij altijd een publieke discussie over de jeugd als afwijkend of delinquent. Dat betekent dat er histo­risch gezien steeds ideeën en beelden zijn geweest van de slechte, gewelddadige of lastige jongeren. In de twintigste eeuw is er geen enkele fase waarin niet over het normenverlies onder jongeren wordt gesproken.

Wat we kunnen zien is dat hoewel de groepen, hun inhoud en hun oriëntatie enorm verschillen, de beelden en de daarin verankerde voorstellingen nauwelijks veranderen. Een bevinding van verschillende onderzoeken naar jeugdculturen is dat maatschappelijke reacties op de jeugd en verschillende jeugdculturen in de loop van de tijd op specifieke punten overeenstemmen. Deze reacties bestaan uit het klagen over een algemeen waardeverlies dat zichtbaar wordt door de bewust niet maatschappelijk conformerende lifestyle van de adolescenten (Findeisen & Kersten, 1999, 64). Een verdere bevinding is dat de leeftijd van de groep geen voldoende verklaring is voor het ontstaan van een eigen cultuur, maar wel een verklaring is voor de zoektocht die deze groep kenmerkt.

 

De socioloog Karl Mannheim heeft al in 1928 een cultuurpsychologische verklaring voor het ontstaan van jeugdculturen gegeven: ”Zowel de algemene, culturele en maatschappelijke omstandigheden, als ook de typische ontvankelijkheid van de jeugd zijn bepalend voor het specifieke karakter van jeugdculturen” (geciteerd door Janssen, 1994.) Jeugd is een overgangsperiode waarin jongeren in hoge mate op elkaar zijn aangewezen, wat het ontstaan van een eigen cultuur, die afwijkt van de dominante cultuur, bevordert. In die zin is jeugdcriminaliteit een passageprobleem (Janssen, 1994).

 

Het meest opvallende is hoe weinig de beelden verschillen van de tegenwoordige beelden over hangjongeren. Een aantal voorbeelden uit de Volkskrant laten dit zien: “Als het droog is en niet te koud hangen ze tot drie uur ’s nachts met veel lawaai rond bij het voormalige badhuis Ook zitten ze graag in de vensterbank van buurtgenoten die op de begane grond wonen.” (Volks­krant, 28-8-2004) ”Wat doen deze jongeren? Woningen leegroven en de buurt terroriseren, heel wat anders dus dan onschuldig hangen. Het woord hangjon­geren, uitgevonden door welzijnswerkers op zoek naar werk, moet worden ver­vangen door ‘geweldjongeren’” (lezersbrief in Volkskrant, 2-9-2004).

( Martina Althoff, 2005)