Jeugdcriminaliteit

Afstudeeropdracht

Academie voor sociale studies.

In Politiestatistieken worden niet alle in werkelijkheid gepleegde delicten in kaart gebracht, want een deel van de gepleegde criminaliteit wordt niet door de burgers bij de politie aangegeven of wordt niet door de politie opgespoord en geregistreerd.

 

De pakkans verschilt per delict en ook verschilt de pakkans per leeftijdsgroep en sekse.

Delicten die bij uitstek door jongeren worden gepleegd, zoals winkeldiefstal, vernielingen en zwart rijden behoren over het algemeen niet tot de groep delicten die een hoge prioriteit hebben bij de politie. Met andere woorden, veel door jongeren gepleegde delicten komen niet ter kennis van de politie en worden dus niet geregistreerd, waardoor er sprake is van veel verborgen criminaliteit (‘dark-number’).

 

Een jeugdcriminoloog geeft aan dat het gedrag en het beleid van de politie invloed kan hebben op de cijfers. Zij vertelt dat uit slachtofferenquêtes is gebleken zinloos geweld niet is toegenomen, maar uit politiecijfers wel. Volgens de jeugdcriminoloog wordt er in een bepaalde periode meer op zinloos geweld gelet waardoor de cijfers hoger zijn. Uit literatuuronderzoek blijkt ook dat er soms belangrijke verschillen tussen politiestatistieken en slachtofferenquêtes in ontwikkelingen in de criminaliteit laten zien.

 

Het lijkt er op dat een steeds nauwkeuriger registrerende politie de officiële criminaliteitscijfers heeft doen stijgen. Hoe beter de politie haar werk doet, des te meer criminaliteit er in ons land lijkt te zijn (Wittebrood & Junger,2002; Elff ers & Bruinsma, 2005). Dit verklaart ook waarom de twee databronnen die over het algemeen als basis dienen om het veiligheidsbeleid te beoordelen – de door de politie geregistreerde criminaliteitsgegevens en slachtofferenquêtes verschillen in ontwikkelingen in de criminaliteit laten zien. Kri­tische criminologen gaan bij de beoordeling van dergelijke politiestatistiek zo ver om niet van een criminaliteitsstatistiek, maar een statistiek van het politie­werk te spreken, dat bijvoorbeeld beïnvloed wordt door verschillende factoren, zoals politiebeleid of aangiftegedrag van de bevolking. Rekening houdend met dit soort kritiek zou de politiestatistiek hoogstens iets kunnen zeggen over het beeld en de ontwikkeling van verdachten van criminaliteit. ( M. Althof, 2005)

 

In de periode 1960-1982 is het absolute aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten ruim verdubbeld, namelijk van 22.900 naar 48.900. Tussen 1983-1993 daalt het aantal gehoorde minderjarigen van 45.500 in 1983 tot ruim 37.000 in 1993. Daarna is er een sterke stijging met een piek in 1996 (bijna 51.000 gehoorde minderjarige verdachten). In de periode 1997-2001 is het aantal gehoorde verdachten relatief stabiel en schommelt het aantal rond de 47.000 minderjarigen. Sinds 2002 is er weer een sterke toename in het aantal gehoorde minderjarige verdachten. Het aantal overschrijdt ruim de 55.000 in 2002, in 2004 heeft de politie ruim 65.000 minderjarige verdachten gehoord. De trends in het aantal strafrechtelijk minderjarige verdachten dat door de politie wordt gehoord, kunnen uiteraard niet los worden gezien van demografische ontwikkelingen. De demografische veranderingen in het aantal 12 t/m 17-jarigen hebben gevolgen voor het aantal gehoorde minderjarige verdachten. De totale populatie jeugdigen in de leeftijd 12 tot en met 17 jaar is in vergelijking met 1995 in 2004 toegenomen met bijna 100.000 minderjarigen. ( CBS,2004)

 

Terug naar de vorige pagina

 

politiestatistieken.