Jeugdcriminaliteit

Afstudeeropdracht

Academie voor sociale studies.

In het boek jeugddelinquentie en gewetensontwikkeling geven zowel psychologen, pedagogen en forensische psychiaters, als ook experts op gebied van de Justitiële Jeugdinrichting en ontwikkelingspsychopathologie, geven hun visie op de complexe kwestie. In het boek( Le Sage e.a, 2006) en het artikel van Le sage( 2006) wordt het volgende over de gewetensontwikkling geschreven.

 

In het (jeugd)strafrecht is al een tijdje een verharding te signaleren. Jongeren worden soms binnen het volwassenenstrafrecht veroordeeld, omdat het jeugdstrafrecht met maximaal twee jaar gevangenisstraf en zes jaar PIJ te licht zou zijn. Het maatschappelijke en politieke klimaat lijkt ook te roepen om hardere straffen en, in het geval van een meer op heropvoeding gerichte sanctie, om tucht en disciplinering. Het beeld van de taakstraffen en de behandelprogramma’s van de jeugdinrichtingen is dat voornamelijk sociale vaardigheden getraind worden.

 

In 2004 heeft Le Sage een onderzoek verricht naar 100 persoonlijkheidsonderzoeken die op last van de rechter zijn uitgevoerd bij jonge verdachten van misdrijven. Deze persoonlijkheidsonderzoeken (zogenaamde rapportages Pro Justitia), dienen de rechter te informeren over de persoonlijkheid van de jongere en de mate van toerekeningsvatbaarheid. Uit dit onderzoek bleek dat bij 75 van de 100 jonge verdachten een gebrekkige gewetensontwikkeling werd geconstateerd. De rapporterende psycholoog of psychiater spreekt van een gebrekkige gewetensontwikkeling indien de jongere geen medelijden met het slachtoffer of gevoelens van schuld en schaamte ten aanzien van het delict ervaart. Het blijkt dat de rapporteur ten aanzien van 34 van deze 75 jonge verdachten aangeeft dat de gewetensontwikkeling of hieraan gerelateerde zaken als ‘inzicht in het slachtoffer/gevolgen van gedrag’, ‘empathie’ en ‘verantwoordelijkheid nemen’ belangrijke aandachtspunten zijn met betrekking tot het opleggen van een sanctie. Niet alleen constateert de rapporteur vaak een gebrekkige gewetensontwikkeling, maar tevens vindt zij het wenselijk dat de behandeling of straf zich richt op het stimuleren van de gewetensontwikkeling.

 

Gewetensontwikkeling bestaat uit verschillende componenten. Wat als gevolg heeft wat we onder een gebrekkige gewetensontwikkeling kunnen verstaan en welke behandeling daarvoor nodig is. Een gebrekkige gewetensontwikkeling kan immers wijzen op een tekortschietend moreeloordeelsvermogen, maar ook op een gebrek aan affectieve disposities. Daarnaast kan het gaan om een gebrekkig ontwikkeld inzicht in redenen die verwijzen naar een rechtvaardige structuur of met betrekking tot gelijkwaardigheid. Het kan gaan om een tekortschietend inzicht in de belevingswereld van de ander of in wat de consequenties van het antisociale gedrag zijn (onder andere voor het slachtoffer). Omdat het begrip ‘gebrekkige gewetensontwikkeling’ verschillende tekortkomingen beslaat, is het lastig om op basis van de diagnose ‘gebrekkige gewetensontwikkeling’ te bepalen wat voor de jongere een adequate (taak)straf of behandeling is.

 

In het onderzoek van Le Sage is nagegaan of de behandelprogramma’s van justitiële jeugdinrichtingen zich (ook) richten op het ontwikkelen van de verschillende cognitieve vaardigheden en affectieve disposities die de gewetensontwikkeling bevat. Dan kan niet anders worden geconcludeerd dat dit onvoldoende het geval lijkt te zijn. Gewetenstekorten worden eerder genegeerd dan behandeld. Dit geldt sterk voor de programma’s waar verschillende politici veel heil in zien: de SocioGroepsStrategie van Den Engh en de Glen Mills School. Het geldt echter ook voor het op grote schaal gebruikte sociale competentiemodel. Vooral het gebrek aan aandacht voor specifiek morele vaardigheden en attitudes en het negeren van het delict zijn er debet aan dat deze programma’s de gewetensontwikkeling van de jongere niet lijken te stimuleren.

 

Het programma Equip is hierop de uitzondering. De insteek van het programma’s cognitief; door middel van rollenspelen zou echter ook de gewetensontwikkeling in affectief opzicht gestimuleerd kunnen worden. Vooral jongeren die geen groot inzicht hebben in de gevolgen van hun gedrag voor anderen, weinig kennis hebben van liberaal-democratische waarden, weinig cognitieve instrumenten, handvaten of een gering vocabulaire lijken te hebben om over morele begrippen als ‘respect’ en ‘eerlijkheid’ te denken, zouden zeer veel kunnen hebben aan een programma zoals Equip, dat zich expliciet richt op de ontwikkeling van morele vaardigheden. Met betrekking tot jongeren bij wie het probleem veelal ligt in een gebrek aan emotionele binding blijft het de vraag hoe een attitudeverandering bewerkstelligd kan worden. Voor de moreel-emotionele ontwikkeling lijkt de relatie ouder-kind en de ervaringen van het kind op jonge leeftijd relevant te zijn, wat aanleiding lijkt te geven voorwaarden te scheppen waaronder de gewetensontwikkeling plaats kan vinden.

 

Daarnaast kan in het geval van een deficiënte gewetensontwikkeling het gezin sterk bij de behandeling worden betrokken. Voorbeelden van programma’s die hierbij aansluiten zijn Family Group Conference en Functionele Gezinstherapie. Le Sage beweert niet dat programma’s zoals die van Den Engh, de Glen Mills School of het sociaal competentiemodel voor verschillende groepen jongeren niet ontzettend nuttig kunnen zijn. Le Sage wil de aandacht vestigen op de gewetensontwikkeling van een grote groep jeugdige delinquenten. Welke zorgwekkend zijn en reden hebben de behandelprogramma’s van justitiële jeugdinrichtingen te bekritiseren. Bij jongeren die gebukt gaan onder gevoelens van schaamte en spijt over wat zij gedaan hebben is het niet nodig en wellicht zelfs onwenselijk om nog eens te benadrukken dat het fout is wat zij hebben gedaan en waarom precies. Voor jongens die dit niet zo ervaren is het echter te gemakkelijk om niet meer aan het delict herinnerd te worden, niet stil te hoeven staan bij de gevolgen voor het slachtoffer en hoe hij of zij zich voelt. De op discipline en tucht gerichte programma’s van Den Engh en de Glen Mills School worden vaak als zwaar en hard  afgeschilderd, maar in dit opzicht maken zij het de jongere niet moeilijk. Het moeilijkste is immers met die vervelende morele gevoelens opgezadeld te zitten. De ontwikkeling van het geweten is in die zin één van de zwaarste straffen die de jongere kan krijgen.

(Le sage, Stegge, Sleutel, 2006)

 

 

 

 

 

gewetensontwikkeling.