umat

Jeugdcriminaliteit

Afstudeeropdracht

Academie voor sociale studies.

 

Risicofactoren.

Probleemgedrag is een wisselwerking tussen persoonlijke en omgevingsfactoren. Probleem gedrag kan ontstaan op grond van meerdere oorzaken. Er niet één enkele oorzaak aan te wijzen voor probleemgedrag. Het is vaak een combinatie van verschillende factoren die elkaar versterken. Naast risicofactoren die elkaar kunnen versterken zijn er ook factoren die probleemgedrag tegengaan. Zo kunnen de negatieve invloeden die in het gezin spelen worden gecompenseerd door het positieve ervaringen op school. Deze factoren worden protectieve factoren genoemd. Hoe sterker de protectieve of aanwezig zijn, hoe minder kans op probleemgedragingen.

             

In1990 ontwikkelde Jan- Dirk van der Ploeg het meervoudige risicomodel( zie figuur 1). In het model worden protectieve en bedreigende invloeden weergeven. Het kind kan beïnvloedt worden in door gezin, school en vrije tijd. Traumatische gebeurtenissen en sociale steun kunnen het kind dusdanig beïnvloeden dat probleemgedrag ontstaat. Naast de omgevingsinvloeden, hebben ook factoren in het kind zelf invloed op zijn/haar probleemgedrag. Het gaat hier om de persoonlijkheid van het kind. De verschillende pijlen in het model geven aan dat alle invloeden en het gedrag met elkaar in verbinding staan. Gedrag wordt beïnvloed door de omgeving en persoonlijkheidskenmerken, maar de omgeving en persoonlijkheidskenmerken beïnvloeden op hun beurt ook het gedrag.

 

Het gaat niet om eenrichtingsverkeer als we spreken over risicofactoren. Daarom is het risicomodel met een multivariate karkater beklemtoond. Dat houdt in dat tussen de door onderscheiden concepten sprake is van interacties, die gezamenlijk meer verklaringskarakter hebben voor het ontstaan van probleemgedrag. Hoewel nog veel onderzoek dient te worden verricht om de werking van de genoemde factoren in onderlinge samenhang nader te analyseren, kan men toch het volgende opmerken. De in dit risicomodel genoemde factoren hebben in onderzoeken al zoveel en zo vaak systematische verbanden te zien gegeven met probleemgedrag dat voor een effectieve behandeling de hier vermelde concepten in principe alle in aanmerking komen.

 

Naast de gedragsmatige kant (die de laatste tien jaar in toenemende mate aandacht heeft gekregen in de behandeling van jeugdigen met probleemgedrag) is de cognitieve zijde in het ontstaan van probleemgedrag sterk onderbelicht gebleven. Dat geldt ook voor het behandelen van probleemgedrag. En juist aan die cognitieve factoren wordt door verschillende auteurs bijzondere waarde toegekend als het gaat om de vraag waarom bij vrijwel gelijke ongunstige achtergronden de ene jeugdige drugs gaat gebruiken, een ander van huis wegloopt en weer een ander suïcide pleegt (Denoff, 1987, Van der Ploeg, 1993). Daarmee kan mogelijk ook meer licht worden geworpen op de vraag waarom zoveel jeugdigen, opgegroeid onder aanhoudend ongunstige en risicovolle omstandigheden, in het geheel geen probleemgedrag te zien geven.(van der Ploeg, 1997)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1: Meervoudig risicomodel

 

 

Risicofactoren kunnen dus invloed hebben op delinquent gedrag. Zoals al eerder werd benoemd is er niet één enkele oorzaak aan te wijzen voor delinquent gedrag, maar dat het altijd gaat om een opeenstapeling van - en een interactie tussen - verschillende factoren.

 

Zowel risico- als protectieve factoren kunnen zich op verschillende leefgebieden voordoen. In een overzichtstudie (Tremblay & Graig , 1995) wordt melding gemaakt van de belangrijkste risicofactoren voor later crimineel gedrag:

 

Risicofactoren op kindniveau: storend, onrustig kindgedrag dat gepaard gaat met veel oppositie, agressie en hyperactiviteit, een lage intelligentie, aandachtsproblemen en slechte schoolprestaties, politiecontacten.

Risicofactoren op gezinsniveau: afwijkend en afwijzend oudergedrag, ouderlijke ruzies, criminele ouders, ineffectieve discipline en weinig toezicht, armoede, werkeloosheid.

Risicofactoren op omgevingsniveau: achterstandsbuurten, hoge buurtcriminaliteit, slechte onderwijsomstandigheden, vrienden die zich schuldig maken aan criminaliteit.

(Ferwerda, Jakobs, Beke, 2006)

 

 

Delinquentie gaat vaak samen met ADHD en misbruik van middelen. Jongeren die zich schuldig maken aan ernstige geweldsdelicten misbruiken vaker en meer middelen dan jongeren die zich aan minder ernstige delicten schuldig maken. Ook bestaat er een duidelijk verband tussen slechte schoolprestaties en delinquent gedrag, veel jeugdige delinquenten vertonen spijbelgedrag. Ook kunnen biologische-, neurologische en hormonale factoren een rol spelen bij delinquent gedrag.

 

 

 

Tekstvak: Tekstvak: Traumatische 
gebeurtenissen.
Tekstvak: School

Schoolbeleving
Schooluitval
Schooloptreden
Schoolkenmerken 
Tekstvak: Gezin

Opvoedingsstijl
Gezinsinteracties
Gezinsfunctioneren
Problemen ouders 
Tekstvak: Vrije tijd

Vrijetijdsbesteding
Leefstijl
Riskant gedrag
Vrienden 
Tekstvak: Sociale steun.
Tekstvak: Persoonlijkheid

Zelfhandhaving
Zelfbeeld
Zelfbeschikking
Zelfcontrole 
Tekstvak: Probleemgedrag

Internaliserende problemen, zoals angst en depressie

Externaliserende problemen, zoals agressie en hyperactiviteit