Jeugdcriminaliteit

Afstudeeropdracht

Academie voor sociale studies.

 

Biologische, neurologische en hormonale factoren.

 

Mensen met een hoog testosterongehalte hebben de neiging meer risico’s te nemen,

dat betekent niet dat men agressief gedrag gaat vertonen. Wanneer iemand een hoog testosterongehalte heeft, intelligent is en in een affectief gezin is op gegroeid kan deze persoon risico’s nemen zonder agressief te zijn. Delinquent gedrag hangt af van de interactie tussen biologischefactoren, omgevingsinvloeden en de wil van de persoon zelf. Sommige personen kunnen door erfelijke factoren gewelddadig en antisociaal worden, maar als er geen risicofactoren zijn die hier invloed op hebben kan een kind zich op een normale wijze ontwikkelen.

 

Naast erfelijke factoren kunnen ook neurologische- en hormonale factoren een rol spelen. Het kind kan van gevolgen van complicaties bij de geboorte (zuurstofgebrek) of tijdens de zwangerschap kunnen gevaarlijke stoffen ingenomen zijn waardoor de hersenen afwijkingen vertonen. Roken tijdens de zwangerschap is een van de risicofactoren voor de ontwikkeling van antisociaal- en crimineel gedrag bij het kind. Sigaretten bevatten naast nicotine ook koolmonoxide en cadmium. Deze giftige stoffen passeren gemakkelijk de placenta, en bereiken zo de baby. De doorbloeding van de placenta vermindert, waardoor de baby minder voedingsstoffen en minder zuurstof krijgt. Ook veelvuldig alcoholgebruik schaadt de hersen- en longontwikkeling van de baby. Dit kan zich later uiten in gedragsstoornissen.

Uit onderzoek van A. Popma vertonen jongens met een antisociale gedragsstoornis in stresssituaties een significant lagere biologische stressreactie dan normaal. Deze jongeren begeven zich sneller in gevaarlijke situaties en komen vaker met de politie en justitie in aanraking. ( Dorelijers,2007)

 

 

Terug naar de vorige pagina